Hoe en wanneer informeer ik mijn kind?


Hoe een kind denkt over gezondheid en ziekte en hoe het menselijk lichaam funktioneert is afhankelijk van leeftijd en ontwikkelingsniveau. Ook de angst die kinderen hebben voor medische zaken hangt samen met hun ontwikkeling en zijn over het algemeen gelijk aan de normale angsten voor de verschillende leeftijden. De individuele ervaringen van het kind worden ook beïnvloed door; eerdere ervaringen met gezondheidszorg, de instelling en reaktie van de ouders en kulturele achtergrond.

Wanneer het kind zich kan voorbereiden op het ziekenhuisbezoek kan hij/zij de situatie beter hanteren dan zonder voorbereiding. Door informatie is de kans op stressreakties kleiner en het kind voelt zich veiliger.

De informatiebehoefte van het kind veranderd met de leeftijd. Wat voor alle leeftijden geld is dat de informatie eerlijk moet zijn en aangepast aan leeftijd en ontwikkelingsniveau. Belangrijk is ook dat de informatie gegeven wordt in gepaste hoeveelheden en op het best passende tijdspunt.

Een goede gelegenheid is wanneer het kind is uitgerust, rustig en ontspannen is of wanneer hij/zij nieuwsgierig is naar informatie. Probeer open te staan voor vragen gezichtsuitdrukkingen en andere signalen die te kennen geven wat het kind voelt.

Kinderen die eerder in ziekenhuis opgenomen zijn geweest zijn niet gevrijwaard van angst.

In tegendeel kan deze ervaring juist een verhoogde onrust veroorzaken omdat het kind weet wat het te wachten staat. Daarom is het belangrijk ook deze kinderen te informeren alsof het ziekenhuisbezoek hun eerste is.

Kinderen kunnen zich niet voorstellen hoe het voelt of wat ze zullen doen in een stress situatie. Om hen te helpen zo’n situatie beter hanteerbaar te maken kunnen jullie praten over hoe je denkt dat het voelt of hoe je denkt te reageren in verschillende situaties. Bevestig ook dat het toegestaan is te reageren.

Vertel het kind dat je alles kunt vragen en dat “domme” vragen niet bestaan. Als U niet overal een antwoord op weet – vraag het kind dan de vragen op te schrijven of er een tekening over te maken en die mee te nemen naar het ziekenhuis.

Het belangrijkste is niet alleen dat men het kind voorbereid. Minst even belangrijk is wanneer de informatie gegeven wordt. Hoe jonger het kind is hoe korter het tijdsbestek moet zijn tussen informatie en behandeling. Omdat een kind zich niet kan concentreren over langere tijd vergeten ze snel, informatie moet daarom herhaaldelijk gegeven worden.

Het belangrijkste is om de informatie individueel aangepast te geven, die het kind het best kent heeft een grotere mogelijkheid dat te doen dan andere.

In het nu volgende gedeelte worden er tips gegeven over hoe en wanneer men kinderen van verschillende leeftijden kan informeren. Denk er aan dat dat alleen gezien moet worden als aanbevelingen. Informatie moet altijd individueel aangepast worden.

Peuters tot 3 jaar

Als ouder/verzorger van een klein kind dat narkose gaat krijgen bent U waarschijnlijk diegene die de meeste onrust en angst kent. Deze gevoelens zijn normaal, maar bedenkt dat kleine kinderen tot zeker 2 maanden, gewoonlijk makkelijk van hun ouders/verzorgers te scheiden zijn en veiligheid vinden bij hen die hen verzorgen.

Kleine kinderen worden vaak beschreven als “gewoonte mensen” omdat herhalingen, routines, herkenning en voorspelbaarheid een veiligheidsschapend effekt hebben.

In de leeftijd van 8 maanden tot twee jaar hebben kinderen vaak een ontwikkelingsgerelateerde angst voor vreemde mensen. Als ouder/verzorger kunt U door Uw aanwezigheid en gewoontes een veilig gevoel creëren voor Uw kind.

Voor deze leeftijdsgroep is het voldoende om een eenvoudige korte verklaring te geven over wat er gaat gebeuren. Vermijd het praten over wat er in het lichaam zit of wat er gaat gebeuren met het lichaam – peuters begrijpen deze details nog niet. Vertel bij voorkeur om een pop die ziek is en naar het ziekenhuis moet. Wijs op de pop aan wat er gaat gebeuren en vertel dat hetzelfde met hen gaat gebeuren.

Kinderen onder de drie jaar hebben een onvolledig tijdsbegrip en moeten daarom niet te vroeg geïnformeerd worden. Kinderen die beginnen te praten kan men een dag van te voren of dezelfde dag informeren.

Kleuters en jongere schoolkinderen 3 -6 jaar

Kleuters hebben een rijke fantasie en voorstellingsvermogen. In hun gedachtewereld is het moeilijk zaken gescheiden te houden. Vaak worden oorzaak en gevolg met elkaar verwisseld, wat tot gevolg kan hebben dat ziektes fout begrepen worden. Ook de grens voor wat van binnen of buiten het lichaam komt is vaak onduidelijk. Pijn kan daarom opgevat worden als iets wat van buiten het lichaam komt.

Voor kleuters moet de informatie kort en eenvoudig zijn. Ze leren via te spelen, gebruik daarom bij voorkeur spel om te kommuniceren. Het is voor hen vaak eenvoudiger om de gevoelens van een pop te verwoorden dan hun eigen, daarom kan een pop en een “dokterstas” erg nuttig zijn. De informatie gaat dan uit van de pop terwijl het kind er tegelijkertijd zo bij betrokken wordt dat het begrijpt dat hetzelfde men hen gaat gebeuren.

Kinderen hebben geen gedetaileerde opvatting over wat er zich in het lichaam bevind. Zij denken dat alle lichaamsdelen kwetsbaar zijn en zijn erg bang voor verwondingen.

Het is daarom belangrijk te benadrukken welke deel van het lichaam behandeld gaat worden en welke niet. Omdat kinderen in deze leeftijdsgroep makkelijk een schuldgevoel hebben is het belangrijk te zeggen dat ze geen schuld hebben aan de ziekte of situatie.

De angst voor het onbekende in de vorm van kabouters, spoken of maskers is groot tot de schoolleeftijd. Sommige kinderen kunnen daarom angstig reageren wanneer ze narkosepersoneel ontmoeten met mutsen of mondmaskers.

Ook kleuters hebben een beperkt tijdsbesef. Informatie moet daarom verspreid over een aantal dagen gegeven worden, bijvoorkeur een week, waar de details een tot twee dagen voor de behandeling/operatie verstrekt worden.

Kinderen 6 – 12 jaar

Wanneer kinderen in de schoolleeftijd komen zijn hun gedachten niet langer gedomineerd door hun fantasiewereld, ze zijn dan in staat fantasie en werkelijkheid te scheiden.

Ze kunnen het lichaam onderverdelen in romp, armen, benen en ingewanden. Ze kunnen onderscheid maken in de verschillende delen en hun funktie. Op deze leeftijd weten kinderen dat ze ook ziek kunnen worden door innerlijke aandoeningen en niet uitsluitend door geweld van buiten af. Ziekte is nu niet langer een magische verschijning of straf, maar iets wat veroorzaakt kan worden door bijvoorbeeld bakteriën of een virus.

In sommige bijzondere gevallen kan het “magische denken” doch voorkomen tot in de tienerjaren.

De bewustheid over het eigen lichaam is groter dan vroeger. Ze kunnen een behandeling als verminkend ervaren of bang zijn dat hun lichaam veranderd. Daarom is het net als bij jongere kinderen belangrijk te benadrukken welk lichaamsdeel behandeld gaat worden en welke niet.

Kinderen van deze leeftijd kunnen ook bang zijn voor de technische apparatuur op de operatiekamer. Het is ook op deze leeftijd dat men begint bang te worden voor de dood.

Slapen en dood gaan worden vaak met elkaar in verband gebracht daarom zijn veel kinderen bang dat ze niet wakker worden na de operatie.

Kinderen in deze leeftijdsgroep kunnen uitdrukking geven aan hun gevoelens. Ze begrijpen oorzaak en gevolg van een onderzoek. In vergelijking met jongere kinderen hebben ze een grotere interesse voor dat wat er gaat gebeuren daarom moet de informatie ook afgestemd worden op hun vragen. Op deze leeftijd kan het spelen met poppen als kinderachtig ervaren worden, poppen worden daarom in de eerste plaats als instruktiehulpmiddel gebruikt.

Schetsen en tekeningen daarintegen kunnen een belangrijk hulpmiddel zijn om gedachten en overwegingen uit te drukken.

Het is passend om de informatie ongeveer een week voor de behandeling te verstrekken.

Tieners

De tienerjaren zijn een dramatische periode in een mensenleven, met grote lichamelijke en geestelijke veranderingen. De angst om niet normaal te zijn, dat het lichaam zich niet behoren ontwikkeld of het uiterlijk niet deugd is normaal. Voor tieners is het erg belangrijk om kontrole over het lichaam te hebben. Ingrepen in het lichaam of de behoefte aan hulp bij ziekte kan als een beschadiging van de integriteit ervaren worden.

Tieners hebben de neiging zichzelf als middelpunt te zien. Ze beleven vaak dat zij de enige zijn die zoiets meemaakt of voelt. De tienerjaren zijn een periode van zich los maken en de wil om over zich zelf te beslissen. Ze hebben een grote behoefte om zich terug te trekken en markeren duidelijk hun integreteit door afstand te houden van hen naaste omgeving.

Tieners nemen zelfden hun ouders in vertrouwen. Een toenemende afhankelijkheid van de ouders, wat een natuurlijk gevolg kan zijn van ziekte, kan daarom problematisch zijn.

Achter een stoere houding verschuild zich vaak een erg onzeker persoon die diep van binnen dankbaar is voor hulp en ondersteuning.

In verband met narkose is er vaak een angst om midden onder de operatie wakker te worden of om niet wakker te worden na afloop. Verder komt het voor dat men angstig is voor “verwarring”, het verlies van kontrole en iets doms te zeggen of om urine en ontlasting niet op te kunnen houden. Tieners willen bijna als volwassen beschouwd worden. Hij/zij wil ook bijna als een volwassen persoon geïnformeerd worden. Meestal hebben ze voldoende kennis van biologie om de funktie van organen en orgaansytemen te begrijpen. Bovendien kunnen tieners hypotetisch denken, gevolgen trekken uit verstrekte informatie en konklusies berekenen van voorgestelde gebeurtenissen. Het is daarom niet langer voldoende om alleen informatie te geven over een enkele procedure of behandeling. Zij zijn geïnteresseerd in de hele behandeling. Men wil uitgebreide informatie over het hoe en waarom van onderzoeken en behandelingen en over wat de te verwachte effekten zijn. Tieners moeten aangemoedigd worden vragen te stellen en betrokken worden bij diskussies, vragen en besluitvorming.

Informatie moet zo ruim van te voren verstrekt worden dat er tijd is om er over na te denken en een gedachte te vormen. Vertel Uw tiener dat de mogelijkheid bestaat om eventuele vragen en gedachten op te schrijven en deze mee te nemen naar het ziekenhuis.

Referenties

Bishofberger, E., Dahlquist, G., Edwinsson-Månsson, M., Tingberg, B. & Ygge, B. (2004). Barnet i vården. Stockholm: Liber.

Jylli, L., Olsson, G. (2005). Smärta hos barn och ungdomar. Lund: Studentlitteratur.

Tamm, M. (2004) Barn och rädsla. Lund: Studentlitteratur.

//Search

twitter icon

Astrid Lindgren Children´s Hospital | Karolinska University Hospital 171 76 Stockholm


© Karolinska University Hospital

mail
Logotype